Hoge Raad: belastingrente vennootschapsbelasting van 8% te hoog

De Hoge Raad heeft op 16 januari 2026 geoordeeld dat de bepaling in het ‘Besluitbelasting- en invorderingsrente’ (‘Bbi’) buiten toepassing moet blijven. Het daarin genoemde belastingrentepercentage voor de vennootschapsbelasting van tenminste 8% is ‘onverbindend’.
Deze uitspraak van de Hoge Raad is gewezen in sprongcassatie naar aanleiding van een eerdere beslissing van de Rechtbank Noord-Nederland en heeft directe betekenis voor een groot aantal lopende bezwaarprocedures tegen aanslagen vennootschapsbelasting.
Achtergrond van de zaak
Per 1 januari 2022 is het belastingrentepercentage voor de vennootschapsbelasting vastgesteld op de wettelijke rente voor handelstransacties, met een minimum van 8%. Voor andere belastingen (zoals inkomsten- en omzetbelasting) gold in diezelfde periode een lager rentepercentage, met een minimum van 4%.
De Rechtbank Noord-Nederland oordeelde over een geval waarin aan een vennootschap bij een voorlopige aanslag vennootschapsbelasting belastingrente in rekening was gebracht naar een percentage van 8%. De vennootschap stelde dat de bepaling van dit rentepercentage uit het Bbi, in strijd is met algemene rechtsbeginselen, in het bijzonder het evenredigheidsbeginsel. De rechtbank was dit eens met de vennootschap.
Naar aanleiding van deze uitspraak, en gelet op het grote aantal vergelijkbare zaken en het financiële belang, heeft de staatssecretaris rechtstreeks cassatieberoep ingesteld bij de Hoge Raad.
Voor een uitgebreidere toelichting op de achtergrond van de belastingrente, de aanwijzing massaal bezwaar en de eerdere ontwikkelingen verwijzen wij naar ons eerdere artikel van november 2025.
Oordeel van de Hoge Raad
De Hoge Raad oordeelt nu dat de verhoogde belastingrente voor de vennootschapsbelasting vooral een budgettair doel diende. Een dergelijke lastenverzwaring mag niet zonder goede reden uitsluitend bij één groep belastingplichtigen worden neergelegd. Voor het hanteren van een hoger rentepercentage voor de vennootschapsbelasting, in vergelijking met andere belastingen, bestaat geen toereikende rechtvaardiging.
Deze bepaling uit het Bbi is daarom in strijd met het evenredigheids- en gelijkheidsbeginsel. Voor een hoger hoger minimum belastingrentepercentage voor de vennootschapsbelasting bestaat geen grond. In de voorliggende zaak wordt de belastingrente daarom berekend tegen 4%, het tarief dat in 2022 gold voor de inkomstenbelasting
Daarbij overweegt de Hoge Raad ook nog dat van de toepassing van het ‘algemene’ belastingrentepercentage (zoals voor de inkomstenbelasting), niet kan worden gezegd dat dit in strijd komt met het gelijkheidsbeginsel. Voor 2022 en 2023 acht de Hoge Raad dit percentage evenmin in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Voor de berekening van belastingrenten in 2022 en 2023 bestaat hiermee duidelijkheid.
Gevolgen voor de praktijk en massaal bezwaar
De uitspraak heeft betekenis voor alle zaken waarin tijdig bezwaar is gemaakt tegen de hoogte van de belastingrente voor de vennootschapsbelasting. Deze bezwaren zijn aangewezen als ‘massaal bezwaar’, waardoor de beslissing van de Hoge Raad doorwerkt naar alle onder die aanwijzing vallende dossiers.
Voorbelastingrente op andere belastingen, zoals de inkomstenbelasting, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het geldende rentepercentage niet in strijd is met algemene rechtsbeginselen. Die renteberekening blijft dus ongewijzigd en geoorloofd.
De Belastingdienst zal naar aanleiding van een collectieve uitspraak op bezwaar de belastingrente in de betreffende vennootschapsbelastingzaken moeten herrekenen. Uiterlijk op 26 februari 2026 wordt publicatie verwacht van de collectieve uitspraak op massaal bezwaar vennootschapsbelasting. Vervolgens verwacht de Belastingdienst nog zes maanden tijd nodig te hebben om in alle individuele dossiers de belastingrente te herrekenen en terug te betalen.
Blijf tijdig bezwaar maken tegen belastingrente
Hoewel de Hoge Raad zich duidelijk heeft uitgesproken over de onrechtmatigheid van het 8%-minimumtarief voor de vennootschapsbelasting, is het vooralsnog verstandig om tijdig bezwaar te (blijven) maken tegen op aanslagen in rekening gebrachte belastingrente.
Dit geldt met name in de volgende situaties:
- wanneer belastingrente wordt berekend op een (nieuwe) aanslag vennootschapsbelasting en nog niet vaststaat of deze automatisch zal worden aangepast; of
- wanneer sprake is van belastingrente over jaren waarvoor de reikwijdte van het arrest, en in afwachting van de uitspraak massaal bezwaar, nog niet geheel vaststaat (2024 en latere jaren).
Heeft u na aanleiding van dit artikel vragen over de gevolgen van deze uitspraak voor uw onderneming of wilt u laten beoordelen of bezwaar tegen het belastingrentecomponent op de aanslag van uw onderneming zinvol is, dan kunt u contact met ons opnemen.



